Strafvordering niet-ontvankelijk wegens schending recht op eerlijk proces

Laurent van De Keere
Feb 20, 2026By Laurent van De Keere

Inleiding

Het recht van een beklaagde om aanwezig te zijn bij zijn eigen strafproces is een fundamenteel beginsel van ons rechtssysteem, verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Recentelijk heeft het Hof van Beroep te Gent, achtste kamer correctionele zaken, in een opmerkelijk arrest van 11 februari 2026, de strafvordering tegen een cliënt van ons kantoor, vertegenwoordigd door mr. Laurent Van De Keere, onontvankelijk verklaard. De reden? Een grove en herhaalde schending van de rechten van verdediging, meer bepaald het recht om persoonlijk voor de rechter te kunnen verschijnen. 

De feiten en de initieele onontvankelijkheid in graad van eerste aanleg

De zaak betrof zware beschuldigingen van diefstal, poging tot diefstal en deelname aan een criminele vereniging. De rechtbank van eerste aanleg in Brugge had de strafvordering in eerste aanleg reeds onontvankelijk verklaard. De reden hiervoor was duidelijk: de beklaagde kon tot tweemaal toe niet vanuit de gevangenis worden overgebracht naar de zitting wegens capaciteitsgebrek, waardoor zijn recht op een eerlijk proces werd geschonden.

Het verstekarrest en het verzet

Het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep tegen deze onontvankelijkheid. Bij verstekarrest van 15 januari 2025 hervormde het Hof van Beroep dit vonnis en veroordeelde de beklaagde tot een gevangenisstraf van 1 jaar en een geldboete.

Tegen dit verstekarrest tekende de beklaagde, vertegenwoordigd door ons kantoor, met succes verzet aan op 2 oktober 2025. Het Hof verklaarde het verzet ontvankelijk en hield het verstekarrest voor niet bestaande, waardoor de zaak opnieuw ten gronde behandeld moest worden.

De finale schending van het recht op een eerlijk proces

Tijdens de behandeling van het verzet in hoger beroep, op de zittingen van 18 november 2025 en 14 januari 2026, herhaalde de situatie zich: de beklaagde, gedetineerd in de gevangenis van Sint-Gillis, kon opnieuw niet worden overgebracht. Dit gebeurde ondanks de uitdrukkelijke vraag van de verdediging om aanwezigheid en zelfs na een formeel verzoek van de advocaat-generaal aan de directie van de gevangenis en de Federale Politie.

Het Hof kon alleen maar vaststellen dat de beklaagde, ondanks aandringen, keer op keer zijn eigen proces niet kon bijwonen. Het recht om voor de rechter te verschijnen, zelfs wanneer men vertegenwoordigd wordt door een raadsman, is een onmisbaar onderdeel van het recht op een eerlijk proces.

In zijn definitieve arrest van 11 februari 2026 stelt het Hof onomwonden vast dat de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de beklaagde op grove wijze werden geschonden.

Het gevolg was de enige juiste juridische conclusie: de strafvordering werd onontvankelijk verklaard, het hoger beroep van het Openbaar Ministerie werd ongegrond bevonden, en het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank van eerste aanleg (waarin de strafvordering onontvankelijk was) werd bevestigd.

Conclusie

Dit arrest is een krachtige herinnering aan het belang van de fundamentele rechten van verdediging in een rechtsstaat. Wanneer de overheid, in dit geval door terugkerende capaciteitsproblemen, er niet in slaagt de aanwezigheid van een gedetineerde beklaagde bij zijn strafzaak te verzekeren – terwijl de beklaagde daarop aandringt – leidt dit tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is niet absoluut, maar bij grove nalatigheid, kan de rechter ernstige gevolgen trekken. 


Mr. Laurent Van De Keere


Advocaat